Op deze pagina worden frames gebruikt, maar uw browser ondersteunt geen frames.
Het "Tennis en Tentoonstellingsgebouw Apollo" was een particulier initiatief van ondernemers die in de dertiger jaren wel brood zagen in de exploitatie van een dergelijk complex.
Het alom geprezen Plan-Zuid van Berlage werd op dat moment volgebouwd en de bewuste locatie aan het water op de as van die nieuwe stadsuitbreiding was uniek.
Het complex dat de gebroeders de Vilder lieten ontwerpen, bestond naast de tennis- annex tentoonstellingshal uit negen buitenbanen, een woning voor de beheerder en een café-restaurant met terras en steiger aan het water.
De hal moest een eenvoudige rechthoekige constructie worden voor 5 binnenbanen, of in geval van vergaderingen, 5200 zitplaatsen.
Daarnaast moest er nog een aantal voorzieningen worden ondergebracht, zoals kleedkamers, tribunes, bestuursruimten en een theehuis.
De hal kon op dat perceel maximaal 85 x 35 meter groot worden, met een hoogte van twaalf meter.
Het vloeroppervlak moest voor de multifunctionele toepassing geheel vrij van obstakels zijn.
Voor dit pakket van eisen koos de architect voor een in de gevels geïntegreerde staalskeletbouw, op een betonnen fundering, gebaseerd op een zestal reusachtige ter plekke gelaste prefab spanten, die het geheel overspanden.
Door de toegepaste constructie waren zowel de binnenruimte als de gevels vrij in te delen.
De voorgevel aan de Stadionweg kreeg een uitbouw over de gehele breedte als ingangspartij met aan de binnenzijde een balkon voor de toeschouwers.
Het schuine dak liep over in een luifel waaronder glazen pergola’s, boven de twee toegangsdeuren, ver uitsteken.
De façade werd verder gekenmerkt door een afwisseling van raamvormen en metselwerk.
Een vergelijkbare gevelindeling typeerde ook de vakwerk gevels van de naar de Stadionweg uitgebouwde "directeurswoning".
In de hoek, waar beide bouwvolumes elkaar raken, was de spelersingang.
De achterzijde van de hal was naar de buitenbanen toe uitgebouwd voor de behuizing van de kleedkamers, het kantoor en het theehuis.
Het café-restaurant aan de waterkant was een op zich zelfstaand bouwwerk in staalskeletbouw van twee verdiepingen.
Het was vanaf de Apollolaan toegankelijk via een lange pergola.Op deze glazen overkapping kwamen tevens de achterdeuren van de hal uit.
De lange gevel aan de Apollolaan bestond voor 2/3e deel uit glasoppervlak en 1/3e deel metselwerk, waarin drie grote poorten voor de af- en aanvoer van grote objecten of grote bezoekersaantallen.
Albert Boeken (architect 1891-1951)
De "N.V. Sportpark en Tentoonstellingsgebouw Apollo" gunde de opdracht voor het complex aan de architect Albert Boeken, een sleutelfiguur binnen "het Nieuwe Bouwen".
Ir. A. Boeken had in de jaren twintig, zeven jaar lang bij Publieke Werken van Amsterdam gewerkt en talloze futiele bouwwerkjes, in de stijl van de strenge Amsterdamse School, voor die dienst ontworpen.
In 1926 had hij schoon genoeg van het geveltjes plakken aan vastgelegde plattegronden, nam ontslag en ging als correspondent van het Handelsblad naar Dessau waar hij de opening van het Bauhaus bijwoonde.
Boeken raakte ‘begeistert’ door vooral de technische mogelijkheden die met deze manier van ontwerpen samenhingen.
Hij ontmoette er vele prominenten van de nieuwe stroming en nam kennis van hun geschriften.
Terug in Amsterdam was hij bij de oprichting van "de 8", een architectenvereniging voor gelijkgezinden.
Het oprichtingsmanifest van die club mocht niet in de tijdschriften van de gesettelde architecten gepubliceerd worden, maar moest uitwijken naar "i 10" het tijdschrift voor moderne kunst.
Niet alleen botste het Nieuwe Bouwen en de gevestigde orde vanaf het prilste begin, maar ook binnen de nieuwe beweging was niet alles koek en ei.
Ir. A. Boeken vond dat er binnen de vereniging te weinig ruimte voor afwijkende denkbeelden was en verliet de 8, nadat hij buiten het bestuur werd gelaten.
Na een lezing van Boeken voor het genootschap "Architectura et Amicitia", werd "groep "32" opgericht, genoemd naar het jaar van oprichting. Voor de leden van deze subgroep van het Nieuwe Bouwen betekende de nieuwe architectuur niet noodzakelijkerwijs een breuk met stijlen uit het verleden, maar eerder een ontwikkeling daarvan.
Het voornaamste vraagstuk waar ze zich mee bezighielden was hoe aan de kille architectuur van de nieuwe zakelijkheid een meerwaarde gegeven kon worden.
Ook een functionele benadering van de bouwproblematiek kon op meerdere manieren worden vormgegeven en de kunstenaar had in hun ogen veel vrijheid in de toepassing daarvan.
Omdat voor de architecten de wens voet aan de grond te krijgen binnen het bolwerk van de gevestigde traditionele architectuur groter was dan hun onderlinge verschillen, fuseerden de 8 en groep ‘32 in 1934.
Het werd een zeer kortstondige verbintenis.
Kennelijk hadden de architecten in de crisisjaren te weinig werk om handen, want ze bleven onderling kibbelen.
Uiteindelijk luidde een onbenullig prijsvraagontwerp de definitieve scheiding in en bleven beide groeperingen nog een paar jaar onafhankelijk van elkaar doormodderen.
De bouw van de Apollohal in 1934 moet gezien worden als een poging van de architect om aan een functioneel bouwwerk een eigen stijl en een zekere architectonische meerwaarde te verbinden.
Kunst dus.
De realisatie van het ‘Tennis " en Tentoonstellingsgebouw Apollo’ in september 1934 werd in de kring van de architecten van het Nieuwe Bouwen als een buitengewoon belangrijke gebeurtenis ervaren.
Daar was alle reden toe; Berlage’s stadsuitleg voor Plan-Zuid werd geprezen, maar de grip die de moderne architecten op de nieuwbouw hadden, was mondjesmaat.
In het rijke stadsdeel overheerste de traditionele baksteenbouw voor ruim bemeten villa’s en woongebouwen en kwamen architecten, die de nieuwe leer predikten, nauwelijks aan de bak.
Ze hadden zich het afgelopen decennium vooral beziggehouden met de ontwikkeling van de ideale arbeiderswoning naar minimale afmetingen en daar was in Zuid geen enkele behoefte aan.
Hun inbreng binnen het plan beperkte zich tot een aantal utiliteitsbouwwerken, zoals het Olympisch stadion van Jan Wils en de Duikers Openluchtschool aan de Cliostraat.
Dat laatste gebouw werd door het gesloten bouwblok waarbinnen het gesitueerd was echter geheel aan het oog onttrokken..
Dat de gemeente uiteindelijk dit keer wel toestemming gaf om een prominente plaats binnen de stadsuitleg te bezetten, kwam ongetwijfeld door Boeken’s periode bij Publieke Werken en zijn werkzaamheden voor de Schoonheids Commissie.
Daarnaast zal de particuliere drijfveer voor het project bij het stadsbestuur in deze moeilijke tijden in goede aarde gevallen zijn.
"De 8 en Opbouw", het orgaan van de moderne architectuurbeweging, was zo vol van de totstandkoming van de Apollohal dat zij er in september 1934 vier artikelen aan wijdde.
In het belangrijkste van de vier, wees Ir. van Loghem, stedenbouwkundige en een van de prominentste theoretici van de beweging, op het belang van het gebouw voor haar omgeving.
Vanuit zijn stedenbouwkundige visie vond hij dat de Apollohal, hoewel het veel te dicht op
de Stadionweg stond, door zijn openheid, de openheid van het nieuwe stadsdeel versterkte.
Dat de ruimtelijkheid van het bouwwerk volmaakt in haar omgeving paste, was voor van Loghem een kwaliteit die de Apollohal een voorbeeldfunctie gaf.
"Amsterdam is een belangrijk bouwwerk rijker geworden, een bouwwerk dat geen architectuur is" begint van Loghem zijn relaas. Dat klink ten opzichte van Albert Boeken, iemand die zo vreselijk zijn best deed van zijn bouwsels kunst te maken, heel onaardig, maar uit de mond van de stedenbouwkundige was het juist een tweevoudig compliment.
Op de eerste plaats zette hij daarmee de exponent van het Nieuwe Bouwen af tegen haar omgeving waar de zwaarte van de monumentale architectuur regeerde.
Op de tweede plaats had de architect door "zijn dienende houding" de functie van het gebouw gevolgd en had dus in de ogen van zijn criticaster zich niet aan buitenissige vormgeving overgegeven. Albert Boeken zelf was eveneens bijzonder tevreden over het resultaat van zijn werk.
Bij het ontwerpen van de hal had hij van zijn opdrachtgevers nogal de vrije hand gekregen.
De architect meende met de Apollohal "de oplossing van het kunstenaarschap in de ingenieursgeest" bereikt te hebben.
Terecht vanuit zijn optiek. De skeletbouw met zijn dominante reuze spanten was een prima functionele oplossing voor het realiseren van zowel een vrij in te delen ruimte, als een idem geveloppervlak.
Dat die gevels voor het grootste deel uit glas moesten bestaan, was Boeken sinds zijn trip naar Weimar helder.
Van binnenuit gezien, verdwijnt door de luciditeit van het vele glas de zwaarte van de constructie en van buiten, is de constructie van het bouwwerk juist duidelijk te zien en naar goed zakelijk gebruik nergens weggemoffeld.
Onverhuld maar onopvallend aanwezig.
Hoewel Boeken in het dak een lichtkoepel aanbracht, was er geen echte noodzaak voor al dat glas.
Bij de presentatie van zijn gebouw hield hij al rekening met het ophangen van " lichte gordijnen" om het teveel aan licht en directe zon weg te filteren.
Het aanbrengen van zo’n hoeveelheid glas was dus een stilistische keus, temeer hij de vrij in te delen gevelvlakken simpelweg hoger had kunnen opmetselen, waardoor er minder licht kon binnenstromen.
De keus voor baksteen als invulling voor die gevelvlakken was een stilistische voortzetting van zijn eerder werk.
Vanaf zijn eerste schreden bij Publieke Werken, waren bakstenen gevels voor hem ‘gefundenes Fressen".
Net zoals bij de, ooit zo gehate, transformatorhuisjes, waar gevelindeling en plattegrond niets met elkaar van doen hadden, had de architect door de toepassing van skeletbouw de mogelijkheid de gevelvakken naar willekeur in te vullen.
Bij alle onderdelen van het complex, met name bij de schitterende directeurswoning, experimenteerde Boeken met een ogenschijnlijk willekeurig scala aan raamvormen in combinatie met de met lichtgekleurde baksteen gevulde muurvlakken.
Ondanks de jubelstemming binnen de moderne beweging, was voor degenen, die de traditionele, monumentale architectuur gewoon waren, zo’n glazen kas een doorn in het oog.
"Toen kwam de architect. Een modern man. Een man van glas en staal.Hij tekende... de Apollohal.Is het noodig over de artistieke pretenties van deze ijzeren loods nog iets te zeggen?
Gedachtig aan de bestemming van dit mooie stukje grond knutselde de architect er nog een pijpenla achter, die hij met scheeve letters café noemde.
Met bouwkunst en met artisticiteit had de onooglijke loods niets te maken.
In een aanval van zelfkennis had de architect bepaald, dat een der zijkanten aan den grooten weg gelegen, begroeid moest worden.
De natuur moest dit knoeiwerk bedekken. Het knoeiwerk, dat een der mooiste plekjes van Amsterdam bedierfen dat de bezitters van duren erfpachtsgrond dupeerden.
Hun uitzicht op dit mooie stukje Amsterdam was bedorven"
De verscheidenheid van activiteiten in de Apollohal was enorm en van tennissen kwam het de eerste tijd niet. Albert Boeken daarover in zijn dagboek (13 september 1934):
"Wie had er ooit kunnen denken dat de Tennishal "Apollo" ’t gebouw van die politiek-nette de Vilders zou worden ingewijd met de Internationale. Swaan zei dat het een vergissing was dat de VVSO de zaal gehuurd hadden " ik kan mij alleen niet voorstellen hoe iemand in dezen tijd zoo onnoozel is te menen dat de vereeniging van vrienden van de Soviet-unie een vereeniging van brave bourgeois uit Plan Zuid zou zijn.
Terwijl er 5000 echte proletariërs onder het wakend oog van benden gewone politie zich in mijn hal verzamelden kwam ik op de Stadionweg een van de Vilders tegen die een beetje met zijn figuur verlegen door de schemering wegsloop van zijn geldbelegging (…)
En zo gaat ’t door. Zaterdag AJC, de volgende week Mussert en dan eindelijk zal men de 29ste beginnen met tennissen."
In ongeveer dezelfde periode als het stichtingsjaar van de Apollohal doet het basketball hier haar intrede.
In 1929 haalden bestuurders van AMVJ het spelletje naar Amsterdam.
De eerste officiële basketballwedstrijd werd in 1931 in het Concertgebouw gehouden!
Door gebrek aan zaalruimte kwam er geen reguliere competitie van de grond en werd alleen in het AMVJ " gebouw gespeeld. Met de komst van de Apollohal werd dat anders.
In 1937 werd het Amsterdams Basketball Comité opgericht en startte er een heuse competitie in de Apollohal.
In 1942 werd de competitie stilgelegd. Na de oorlog verplaatste deze zich voor enkele jaren naar de Oude RAI om na 1950 naar de Apollohal terug te keren.
Het tennissen binnen de hal was geen lang leven beschoren.
Naast de vele evenementen en het basketball moest het indoortennis in 1940 voor de eerste overdekte kunstijsbaan in Nederland wijken.
Er werd ijshockey competitie gespeeld en de shows van "Holliday on Ice" maakten er furore.
De buitenbanen verdwenen in 1961 met de komst van het Apollohotel .
In 1934 werd er in het Sport Fondsenbad Oost de eerste kunstijsbaan in Nederland aangelegd, in het buitenbad naast het overdekte zwembad aan de Linnaeusstraat.
In 1940 verhuisde men de complete Technische Installatie naar de Apollohal, waar men tot 1950 schaatste.
In 1954 werd het laatste travee van de hal tot Cinéma Du Midi omgebouwd.
Drie jaar later brandde de bioscoop af. Op 3 september 1959, exact twee jaar na de brand, opende het filmhuis opnieuw de deuren, na door architect A. Bodon grondig verbouwd te zijn.
In 1982 ging de bioscoop definitief ter ziele. Dezelfde architect realiseerde in 1961 het hotelgedeelte in het voormalige sportpark en de uitbreiding daarvan in 1969.
In 1967 werd de Apollohal publiek bezit en een gemeentelijke sporthal.
De kwalitatief slechte bouw en zeer gebrekkige staat van onderhoud loopt als een rode draad door de geschiedenis van de hal.
Het eerder geciteerde artikel uit de Telegraaf: "Het zou nog erger worden "het is nog erger geworden.
De materialen waaruit de Apollohal is opgetrokken bleken inferieur te zijn.
Hoe ziet het gebouw er thans uit? De groote gordijnen, die voor het glas hangen, zijn gescheurd en vertonen gaten van meters lengte.
Op de exploitatierekening schijnt niet voldoende over te schieten om het gebouw een fatsoenlijk uiterlijk te geven.
Weemoedig hangen de gescheurde witte lappen voor de ramen. Het ijzerwerk is overal aangevreten en geroest.
De entree, een afschuwelijke glazen kap, wordt opgehouden door twee verroeste palen.
Het metselwerk der pilaren brokkelt af. Kortom, het gebouw ziet er zo uit, dat de befaamde sloper Slier er weinig aan zal verdienen:
Het valt vanzelf wel in elkaar (...) Het is wel nuttig als een stad een schoonheidscommissie heeft.
Men merkt dat niet zo aan alles. Het is, of men dit gebouw moedwillig verwaarloost om het op een goedkoope manier weg te krijgen.
Op deze verwaarloosde loods, waarop het fantasielooze gebouw van de Rijksverzekeringsbank als een stoomboot schijnt af te stevenen, kijken de bewoners van Amsterdam-Zuid uit.
Aldus is een der mooiste plekjes van Amsterdam verkwanseld."
Hoewel uit het eerdere citaat van de journalist van de Telegraaf blijkt dat hij gewoon een bloedhekel aan deze nieuwlichterij had, bezitten zijn woorden kern van waarheid.
Al in de jaren dertig bleek de exploitatie van een multifunctionele, ongesubsidieerde sporthal onrendabel en moeilijk te onderhouden ondanks de geringe stichtingskosten.
De bouwmaterialen die voor de Apollohal gebruikt werden, waren niet zozeer inferieur zoals de Telegraaf beweerde, als wel nieuw en nauwelijks toegepast.
In de loop der jaren bleken de mankementen die het bouwwerk vertoonde, veelal terug te voeren tot de onbekendheid en onwetendheid van de architect en zijn constructeur (W. Zweedijk) met de toegepaste constructiemethoden.
Ook de uitvoerder De Amsterdamsche Ballast Maatschappij had nog weinig ervaring met dit soort bouwwerken.
Daarnaast hadden architect en constructeur in hun verlangen een lichte constructie te verwezenlijken wel erg zuinig met bouwmaterialen omgesprongen en zijn halfsteens muurtjes voor dergelijke geveloppervlakten uit den boze.
De stichtingskosten zullen daarbij in de crisisjaren zeker een rol gespeeld hebben.
In 1955 zakte een door Lionel Hampton aan het hossen gebrachte meute massaal door de vloer, die veel te zwak bleek.
De werkelijke mankementen kwamen pas jaren later aan het licht.
In 1981 vielen er stukken van het plafond omlaag en besloot men een verlaagd plafond aan te brengen.
Bij het aanbrengen daarvan bleken de lassen van de spanten geheel weggerot.
Toen daarvoor steunen door de vloer heen werden geslagen op de fundering, bleek ook deze flink aangetast.
Op stel en sprong werd het gebouw op oudejaarsdag 1981 gesloten.
Eigenlijk wist men zich met het gebouw geen raad en leek sloop de goedkoopste oplossing.
Onder druk van de sporters die er hun thuishaven hadden werd desalniettemin tot renovatie besloten.
Voor de benodigde financiële dekking werd haastig de gemeentelijke monumentenstatus aan het gebouw gekoppeld.
De renovatie was bijzonder ingrijpend, want de gehele fundering en alle spanten binnen de hal werden vervangen.
Eigenlijk werd het hele binnenwerk vernieuwd (Het huisblad van Ballast Nedam De Pijler 30-11-1983)
De vernieuwingswerkzaamheden zijn noodzakelijk omdat in de oude betonnen balken corrosie optrad door de zoutdelen, die achter bleven in het smeltwater van de ijsvloer.
Dit kan bovendien worden verklaard door het feit dat in de bouw van de jaren dertig het betonijzer te weinig betondekking meekreeg.
Ervaringen in de bouwpraktijk hebben ertoe geleid dat tot een grotere dekking van het betonwerk werd overgegaan.
De scheuren in de spanten hebben weer te maken met luchtbellen in het laswerk een euvel dat het laswerk uit die tijd kenmerkt."
Pas drie jaar later waren de werkzaamheden achter de rug en werd de Apollohal heropend.
De Apollohal is een uniek voorbeeld van het Nieuwe Bouwen in Amsterdam.
Dat is een stroming van grote theoretische waarde binnen de architectuurgeschiedenis, waarvan de gerealiseerde voortbrengsels op één hand te tellen zijn.
De Apollohal is daar een van.
De experimentele constructie en de toepassingen van nieuwe bouwmaterialen passen goed in deze stroming.
De behandeling van de geveloppervlakten toont dat de architect putte uit zowel de hem goed bekende stijlkenmerken van de laatste fase van de Amsterdamse School, als die van het Nieuwe Bouwen.
Het gebouw is de concretisering van het specifieke gedachtengoed van groep ‘32, een architectengroep waarvan Albert Boeken de nestor was.
Het gebouw is in de loop van de jaren grondig verkankerd.
Van een van de unieke monumenten van het Nieuwe Bouwen is ondanks de monumentenstatus geen spaan meer heel.
Dat komt enerzijds door de kwalitatief niet al te beste bouwkwaliteit en anderzijds door de in de loop der jaren aangebrachte veranderingen en het belabberde onderhoud.
Al heel snel na het stichtingsjaar verloor het gebouw haar doorschijnendheid.
Een overdosis aan direct dag- en zonlicht bleek voor het tennissen al geen pre, maar konden gordijnen destijds nog soulaas bieden.
Tijdens de oorlog, toen er in de hal geschaatst werd, moest het gebouw dagelijks worden verduisterd.
Omdat dat vreselijk veel werk was, besloot men de ramen maar dicht te schilderen.
Dat de combinatie tussen sport en veel natuurlijk licht niet gelukkig is, deed de gemeente in 1967 besluiten de hal definitief van getint glas te voorzien.
Door de isolatielaag daarachter en het isoleren van het dak bleef er ook vanaf de binnenzijde helemaal niets meer van de glazen constructie zichtbaar.
Daarnaast zijn alle subtiele, in 1934 door collega architect Auke Komter uitgewerkte kleurnuances, met name aan de binnenkant, door schreeuwerige kleuren vervangen.
Aan de ingangspartij werd eveneens het meeste glas van de façade door plaatwerk vervangen, waarmee het spel tussen raamvormen en baksteenvlakken verstoord werd.
De weinig geslaagde uitbouw aan de lange zijde, waar ooit de buitenbanen waren, is al sinds de komst van het Apollohotel beschot.
Het café-restaurant is geheel in het hotelcomplex geassimileerd. De directeurswoning is godzijdank, voor een appel en een ei weliswaar, aan een particulier verkocht en verdient apart beschreven te worden.
De komst van Du Midi met de uitstekende luifel in het vijfde travee gaf een storende onderbreking van de lijn van deze façade, die nu definitief een grijze doos werd.
Bij de reconstructie van de bioscoop in 1959 werd het zesde spant verwijderd en de balans van het bouwwerk constructief verstoord.
Eind 1984 leek het bouwwerk ogenschijnlijk weer voor een langere periode opgeknapt.
Dat bleek een grote misvatting.
De opknapbeurt was niet meer dan achterstallig onderhoud en hield op geen enkele wijze rekening met de functie van het pand.
Het is een grote blunder dat de façades rondom, buiten de facelift bleven.
De gedachte de Apollohal te kunnen restaureren zonder Du Midi daarbij te betrekken is kortzichtig en maakt van goedkoop duurkoop.
Gelukkig zal de hal inclusief du Midi, waarin gymzalen gevestigd zullen worden, de komende jaren weer in haar oude luister hersteld worden, zodat zij in 2006 het wereldkampioenschap rolstoelbasketball zal kunnen huisvesten.