DE HAL -> HISTORIE -> ARCHITECTUUR (1936) ALBERT BOEKEN ARCHITECT

Tennis- en tentoonstellingshal Apollo te Amsterdam

RONDOM EEN WERK

Theorie en practijk.
Aan al deze algemeene beschouwingen wil ik nog een aantal afbeeldingen van een door mij ontworpen bouwwerk, de in 1933-34 gebouwde Tennis- en Tentoonstellingshal Apollo te Amsterdam toevoegen om naast de theorie ook de practijk te toonen.
Ik doe dit met zekeren schroom, maar ik wil het niet nalaten omdat per slot van rekening het werk van den architect meer gewicht in de schaal legt dan zijn woorden. Wilt u dit niet opvatten als een onbescheidenheid of als een soort zelfverblinding, maar zien als een nadere illustratie van hetgeen te betoogen.
Deze afbeeldingen stellen den lezer in de gelegenheid om de konsekwenties van de ontwikkelde gedachten in de werkelijkheid van een bepaalde opgave en in elkaars verband te zien. Laat ik hieraan toevoegen dat ik me wel er van bewust ben dat hij ook wel inkonsekwenties in dat werk zal ontdekken. En laat ik dan tevens bekennen dat, nu ik mij de overwegingen die ik had bij het maken van dit werk, weder voor den geest haal, ik wel zeer duidelijk gevoel, dat ik het onderwerp van dit boekje bij langen na niet heb uitgeput. Dit zou per slot van rekening eerder een voordeel zijn dan een bezwaar. Maar van bijna elke hier gegeven afbeelding, eventueel met haar tegenhangers, brengt wel één of zelfs meerdere gedachten, die ik in de vorige hoofdstukken ontwikkeld of aangestipt heb, naar voren. Mogen enkele bijschriften dit nader aanduiden.
Toch wil ik één opmerking hier vooraf laten gaan.
Het gebouw bestaat uit een groote hal van circa 90 meter lengte en 35 meter breedte, een café-restaurant met terras, en een directie-woning. Deze drie typisch heterogene elementen, verschillende in afmeting, in bestemming en in stemming, moesten worden samengebracht in één groepeering.
Hierbij kwam dan nog de complicatie, dat de

hal namelijk voor tennissen -een verfijnde sport van enkelingen-
voor massa-demonstraties -inderdaad het tegendeel hiervan-

en voor groote tentoonstellingen,
de juiste omgeving moest vormen, den achtergrond moest geven waarop al deze uiteenlopende dingen niet alléén practisch, maar ook en vooral naar den geest zoo goed mogelijk tot hun recht konden komen.
Of ik daarin geslaagd ben, laat ik gaarne aan den bezoeker en beschouwer over te beoordelen. Voor mij is bij dit bouwwerk de beteekenis nog klaarder geworden van de "eenheid van alle bouwen" waarop ik in het eerste hoofdstuk gewezen heb. Door die eenheid was het mogelijk een eenheid te geven ondanks zóó verschillende elementen en tevens de karakterverschillen der elementen op zoo levende wijze tegenover elkander te stellen.

Gezicht van de galerij in de groote hal

Juist in den tijd dat de teekeningen van de trapleuningen en balustrades onder handen waren, zag ik de film "20.000 jaar in Sing-Sing". Een oogenblik genoot ik als liefhebber van ijzerconstructies van de gevangenishekken en tralies. Toen stond me plotseling voor den geest dat de hekken in de hal toch wel heel anders moesten worden als die beklemmende hekken van Sing-Sing. Het gevaar van de kwade associatie was mij duidelijk geworden, en ook het wezenlijke verschil tusschen een gevangenisafsluiting en een hek in een publiek gebouw. Zoo zijn toen al die luchtige gaashekken, geperforeerde balustrades en andere open ijzerconstructies ontstaan. Thank you, Mr. Curtiz.

Toen het portiershuisje bij Apollohal klaar was, kreeg ik bij de vergelijking met het ongeveer even groote gebouwtje van staal en glas " het tramhuisje op het Roelof Hartplein " een gevoel van zelfgenoegzaamheid, dat ik toch wel iets luchtigers, ijlers en beknopters had bereikt dan het samenstel van ijzeren balken en raamroeden van het wachthuisje. Maar ik stond verbaasd toen ik Duikers verrijdbaar cassa-apparaat bij de "Cineac" zag. Dit was toch beknoptheid en lichtheid in het kwadraat.

Meer nog dan vroeger komt het er voor den architect op aan te kùnnen, te kunnen maken wat hij wil, te kunnen geven in zijn schepping de klaarste, mooiste oplossing. Meer dan toen is voor den beschouwer zaak den geest aan te voelen waarin de opgave en mogelijkheden tot bepaaldheid zijn gebracht en gestalte gekregen hebben.

Albert Boeken

 



Nawoord


De naam Boeken is voor insiders eigenlijk alleen verbonden met de Apollohal, de nieuw-zakelijke sporthal die in de jaren ’33 en ’34 gebouwd werd in Amsterdam-Zuid, op de kruising van de Apollolaan en de Stadionweg. De Apollohal is inderdaad de enige grote bouwopdracht van Boeken geweest. Maar zijn betekenis als architect, als felle voorstander en verdediger van het functionalisme, als oprichter van Groep ’32 en vooral als cultuur- en architectuurhistoricus is nauwelijks bekend en zeker onderschat.

Na de Openluchtschool van Duiker, die in 1930 na veel moeilijkheden alleen op een door woonblokken ingesloten binnenterrein aan de Cliostraat gebouwd mocht worden, was de sporthal van Boeken het tweede bouwwerk in het uitbreidingsplan-Zuid van Berlage van een architect van het Nieuwe Bouwen. Hoewel dit geen onbelangrijke aanwijzing is voor een verandering in het denken over vernieuwing van de architectuur in Amsterdam, werkte de urgentie om de onbebouwd gelaten terreinen in Amsterdam-Zuid, die bestemd waren voor gebouwen met een bijzondere bestemming, zo snel en exploitabel mogelijk te bebouwen zeker in het voordeel van de nieuwe zakelijke architectuur.
Van Loghem schreef in 1934 in de 8 en Opbouw ‘Hier bij deezen bouw moest men denken, moest men de oude waarden over boord gooien en zich opnieuw oriënteeren. Dit eischte ordening van geest en een logische gedachtengang, die niet ieder bezit. Het feit echter, dat thans deze bouw in een belangrijk centrum van Amsterdam tot stand is gekomen en zoo maar gewoonweg van alle zijden zichtbaar is, bewijst dat het denken over de werkelijke vernieuwing der architectuur, althans in de hoofdplaatsen van ons land (Den Haag daarbij uitgezonderd) als een voldongen feit moet worden aanvaard’.

Detail van de kap

Het had niettemin heel wat voeten in de aarde voordat het ontwerp dat Boeken met hulp van de in ijzerconstructies gespecialiseerde Van Zweedijk maakt, geaccepteerd werd. De Commissie-Zuid was bang dat de mooie Apollobuurt met een tweede Raigebouw zou worden opgescheept. ‘Maar gelukkig hebben wij de heeren weten te overtuigen dat het nieuwe sportpaleis geen groote loods werd- al werd het op dezelfde wijze gebouwd als loodsen en fabrieken, opslagplaatsen, kortom alle utiliteitsbouwwerken die buiten onze woonwijken zijn gelegen en waarbij aan architecturaal aanzien geheel andere eischen worden gesteld’ (De Standaard, 29 april 1934).
Het Apollocomplex bestond uit een tennis- en tentoonstellingshal met zij- en voorbouw en rijwielstalling, café-restaurant, directeurswoning en 9 open tennisbanen, gelegen op een door het Noorder- en Zuider Amstelkanaal, Apollolaan en Stadionweg begrenst terrein.

Het hele complex werd als staalbouw met curtainwall en in ijzervakwerk met baksteenvulling geconstrueerd. Hoewel Boeken de 92 m. lange, 37 m. brede en 12 m. hoge hal aanvankelijk met enkele steunpunten ontwierp, werd het definieve ontwerp een vrijdragende hal.
Een overkapping met zes 35 m. brede spanten bood aanzienlijk meer exploitatiemogelijkheden. Dit waren de eerste in Nederland elektrisch gelaste spanten, waarvan de ranke vorm voor een belangrijk deel de openheid en ruimtelijkheid van de hal bepaalt. ‘Om het fabriekskarakter te vermijden hebben wij de hal zelf zo luchtig mogelijk gehouden: boven veel glas, onder baksteen van een lichte kleur, terwijl het hele bouwwerk in een frissche, lichte kleur is gehouden’ (De Standaard, 29 april 1934).

Cafe-restaurant "Paviljoen Apollo" met terassen en aanlegsteiger; op den achtergrond de groote hal

Ook voor het paviljoen werd voor een staalconstructie gekozen "omdat hier de eisch werd gesteld van breede caféramen, die onbelemmerd uitzicht over het aangrenzende wateroppervlakte zouden moeten geven," schreef Boeken in 1940 in Cobouw (jrg. 84 no. 4) en stelde scherp: ‘Het Nieuwe Bouwen mag geen associaties oproepen met tralies. Bij het detailleren van staalconstructies zijn ook mogelijkheden die niet associëren met tralies.’
Het is Boeken inderdaad gelukt elke associatie met gevangenis of fabrieksarchitectuur te vermijden, met als gevolg dat de zo licht mogelijk geconstrueerde hal met haar zo uiteenlopende bestemmingen als sport- en expositieruimte de verlichting voor grote problemen stelde.
Een glaskap was om praktische redenen uitgesloten. Bovendien zouden er dan noodzakelijkerwijs 10 tot 12 m. hoge gesloten muren moeten komen, wat in de mooi en ruim aangelegde stadswijk van plan Zuid niet zou worden toegestaan. De oplossing vond Boeken in een 7 m. hoge glaswand rond de hele zaal en een daklantaarn. Teveel invallend licht kon met lichte gordijnen buitengesloten worden.
De toetreding van zon- en daglicht was in het kader van zoveel mogelijkheid licht, zon en lucht in woning- en stedenbouw één van de problemen waarvoor de architecten van het Nieuwe Bouwen gesteld werden en waarvoor Boeken speciale belangstelling had. In 1933 werd hij secretaris van een in Amsterdam opgerichte werkcommissie "ter bestudering van de betekenis van het zonlicht voor de gezondheid van de mensch en de wijze waarop hiermee in woningbouw en stedenbouw is rekening gehouden." Het werkprogramma van de in 1934 ingestelde Zonnecommissie, die behalve Boeken bestond uit Van Lohuizen, Merkelbach, Van Tijen, de graficus Bruins en de wis- en natuurkundige Spiers, werd de Hollandse bijdrage voor het derde CIAM-congres over "Rationelle Bebauungsweisen" (Brussel, 27-29 november 1930).

Theegelegenheid in de Apollohal

Zijn ideeën over licht en lucht heeft Boeken kunnen realiseren in de in 1934 voltooide Apollohal. In de zomer van het volgende jaar, toen de architectengroep de 8 en ’32 samen ter gelegenheid van de bijeenkomst van de CIAM in het Stedelijk Museum in Amsterdam de tentoonstelling ‘De functionele stad’ inrichtte, zond hij geen werk in. Wél bleek Boeken de man bij uitstek te zijn voor het verzorgen van lezingen en excursies en het leggen van internationale contacten. Hij slaagde erin het uitgelezen gezelschap Gropius, Giedion, George Schmidt en Le Corbusier naar Amsterdam te halen.

Mabel Hogendonk

Bron:
ARCHITECTUUR (1936) van Albert Boeken
Uitgeverij Van Gennep Amsterdam

 

www.apollohal.nl   © www.alphons.net