DE HAL -> HISTORIE -> Tennishal "Apollo" in plan Zuid

Tennishal "Apollo" in plan Zuid


Tennis- en tentoonstellingsgebouw "Apollo"

Amsterdam is een belangrijk bouwwerk rijker geworden, een bouwwerk, dat geen architectuur is.
Voor ingewijden is deze schijnbare paradox volkomen begrijpelijk, voor leeken eischt deze uiting een nadere toelichting.
Tot nu toe stelt de leek als eisch voor een bouwwerk, een samenstelling van natuursteen of baksteen, gevoegd of gepleisterd, min of meer monumentaal gekleed, met ruimtelijke sprongen in de gevels en reliŽfwerken van verschillende materialen, zoodat daardoor een min of meer tot eenheid geworden plastische bouwuiting in het stadsdeel is verkregen. Het begrip zwaarte behoort voor den leek, althans op voor het oog zichtbare wijze in het bouwwerk tot uiting te zijn gebracht. Weliswaar is door de grootere openheid van de moderne gebouwen ook het oog van den leek eenigszins meer gewend aan vormen, die de architectuur vroeger niet kende, maar niettemin is bij die grootere ijlheid toch nog meestal de zoo geliefde visueele zwaarte behouden gebleven, zoodat de leek zijn verlangen naar zichtbare soliditeit en monumentaliteit toch altijd nog bevredigt ziet in die moderne werken.


Plattegrond entree

Toen nu plotseling in een der nieuwste wijken van Amsterdam, en nog wel in een wijk, die in hoofdzaak toebehoort aan de zoogenaamde "betere standen", een groote onbekende en volkomen vreemde glasbouw werd gemaakt, heeft, zoals begrijpelijk is, een deel der stadsbevolking het zoo bekende "het is een schandeĒ laten hooren. Het groote publiek houdt van stabiliteit, van vaste waarden, die overal bespreekbaar zijn en geen eigen denken vooronderstellen.
Hier bij dezen bouw moest men oude waarde over boord gooien en zich opnieuw oriŽnteeren. Dit eischte ordening van den geest en een logische gedachtengang, die niet ieder bezit.


Interieur der hal met de vijf tennisbanen

Het feit echter, dat thans deze bouw in een belangrijk centrum van Amsterdam tot stand is gekomen en zoo maar gewoonweg van alle zijden zichtbaar is en nergens moest weggestopt worden, terwijl het nog geen vijf jaar geleden voor het veel kleinere object van ir. Duiker, de openluchtschool, volkomen onmogelijk was een open en zichtbaar terrein te veroveren, dit feit bewijst, dat het denken over de werkelijke vernieuwing der architectuur, althans in de hoofdplaatsen van ons land (den Haag daarbij uitgezonderd) als een voldongen feit moet aanvaard worden.
Wat is nu de meest belangrijke waarde van het project van ir. Boeken?
Dit is niet met een enkel woord te zeggen, omdat ten slotte de wijze waarop iets gedaan wordt, in laatste instantie toch de doorslag geeft.
Wanneer we ons, om een eenvoudig voorwerp als uitgangspunt te nemen, eens bepalen tot de stalen stoel, dan zien wij, dat, terwijl eenige honderden modellen van buisstaal in omloop zijn, er misschien 10 stuks werkelijk innerlijke en dus blijvende waarde bezitten, terwijl het groote restant alleen maar het uiterlijke van het nieuwe materiaal bezit, maar geen innerlijke kracht vertoont.

 
 
Overgaande op de tennishal moet terstond geconstateerd worden, dat Boeken hierbij geslaagd is zich volkomen los te maken van het gangbare, het zware, het monumentale, dat tot voor kort, en zeker voor groote gebouwen, als eerste voorwaarde voor succes gold.
Hij heeft ingezien, dat het vraagstuk van een lichte tennishal nooit tot architectuur in de oude beteekenis kan worden zonder schade aan de bruikbaarheid van het gebouw te berokkenen. Hierdoor heeft hij zich volledig in dienst gesteld van het gevraagde. En deze dienende houding heeft gemaakt, dat zijn werk een goed werk is geworden, en tevens een eenheid vertoond die wij helaas in onze grootere gebouwen nergens meer waarnemen.
In dit bouwwerk, dat dus, zooals in den aanvang gezegd, geen architectuur is, zijn juist alle gegevens voor een goede architectuur aanwezig, al is het dan een architectuur, die nog geen gemeengoed van het leekenpubliek is geworden.
Toen Boeken met zichzelf klaar was ten opzichte van zijn dienende houding, kon hij zonder eenige ijdelheid, omdat hij dienend was, konsekwent in alle onderdeelen de eerlijkheid van de eenvoud, die zijn uitgangspunt was, doorvoeren. Hij moest de openheid van dat nieuwe stadsdeel niet alleen handhaven, maar moest die openheid versterken door zijn bouwwerk. En daarin is hij geslaagd.
Zijn collegaís, die in de nabijheid hun projecten hebben verwezenlijkt, zijn daarin meestal niet geslaagd. Door gemis aan ruimtebegrip is juist de mislukking van de meeste stadsuitbreidingen ontstaan. In plaats van vergrooting van de ruimte-illuzie, wat een der kenmerkende capaciteiten behoort te zijn van den architect, die een kunstenaar is, hebben de meeste architecten in die nieuwe stadswijken kans gezien de in reŽele maat aanwezige werkelijk niet geringe ruimten, ten deele te niet te doen door hun tekort aan ruimtelijke visie. De gemeentelijke instanties zijn daarbij mede schuldig geweest door hun bekrompen voorschriften.
Het is daarom des te verblijdender, dat in ieder geval, toen de architect eenmaal zijn visie op papier had gebracht, de gemeentelijke instanties unaniem daarbij meegewerkt hebben om die visie niet te verstoren. Het resultaat is, dat men verkregen heeft, naast een groot praktisch gebouw, een grootere werking van de aanwezige ruimte in een deel van de stad. Het is, alsof de stad door her bouwwerk geopend is. En dit is zeer belangrijk, en bewijst ook tevens, dat het vraagstuk van het nieuwe bouwen niet terug te brengen is tot een vraagstuk van constructie, kleur of materiaal. Weliswaar doen deze vraagstukken mede, maar uiteindelijk is toch de geestelijke geaardheid van den architect doorslaggevend of zijn schepping wel of niet zal slagen in een bepaald geval.
Ik wil mij dan ook niet bewegen in de vraagstukken van constructie, materiaal of kleur, en er alleen van zeggen, dat het volkomen natuurlijke, ongeforceerde van alle onderdeelen mede oorzaak is van de uiteindelijke ijle weinig pretentieuze verschijning van dit bouwwerk, dat natuurlijk als menschenwerk zijn meer of minder geslaagde deelen bezit, maar dat in zijn geheel als een verrijking van de stad Amsterdam moet gezien worden.


Door de mazen van de netten tusschen de banen
 
Als eigenaardigheid, tevens vanzelfsprekendheid, zou ik willen opmerken, dat die pretentieloosheid in onze gecompliceerde samenleving zoo onverwacht tot uiting is gekomen, dat we als het ware een afstand tot de dagelijksche onechtheid voor dit bouwwerk opeischen. Gelukkig is die afstand bijna overal ook aanwezig.
En waar die helaas niet aanwezig is doordat een der hoofdstraten te dicht het gebouw nadert, zijn de boomen gelukkig reeds geplant om ons te verzekeren, dat de natuur na eenige jaren zal meehelpen die distantie te vergrooten. Misschien is de maatschappij dan tevens naar de eenvoud van dit bouwwerk gegroeid, zoodat het te nauwe contact aan een zijde niet meer als een tegenstelling zal gevoeld worden.

Ir. J.B. van Loghem.

Bron:
DE 8 EN OPBOUW 1932-1943, Tijdschrift van het Nieuwe Bouwen blz. 209-213

zie ook Inrichting en bouw

www.apollohal.nl   © www.alphons.net